Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Autosomaal recessieve gegeneraliseerde dystrofische epidermolysis bullosa, intermediaire vorm
Een zeldzame dystrofische epidermolysis bullosa (DEB), gekenmerkt door gegeneraliseerde cutane en mucosale blaarvorming die niet geassocieerd is met ernstige misvormingen.
ORPHA:89842
Classification level: Aandoening
- Autosomaal recessieve dystrofische epidermolysis bullosa generalisata mitis
- RDEB, niet-Hallopeau-Siemens-type
- Gegeneraliseerde RDEB, intermediaire vorm
- Autosomaal recessieve dystrofische epidermolysis bullosa, niet-Hallopeau-Siemens-type
Prevalentie: Unknown
Erfelijkheid: Autosomaal recessief
Leeftijd bij eerste symptomen: Neonataal
De precieze prevalentie is niet gekend, maar dit subtype is de op één na meest voorkomende recessieve DEB (RDEB), na ernstige RDEB. De prevalentie van alle subtypes van RDEB, met uitzondering van ernstige RDEB, werd geschat op 1/2.000.000 in de Verenigde Staten.
Onder de term intermediaire RDEB is een spectrum van fenotypes gegroepeerd die een zeer variabele gradatie van ernst van cutane en mucosale betrokkenheid vertonen. De ziekte manifesteert zich bij de geboorte of tijdens de neonatale periode met gegeneraliseerde blaarvorming. Aplasia cutis congenita (aangeboren afwezigheid van huid) kan ook waargenomen worden bij de geboorte. Het genezen van blaren resulteert in de ontwikkeling van milia, atrofische littekens (minder ernstig dan bij ernstige RDEB), dystrofische nagels, en, occasioneel, albopapuloïde laesies (ivoorwitte littekenachtige papels) en afwijkingen van scalp. Bij sommige patiënten kan littekenvorming leiden tot een zekere mate van pseudosyndactylie en verlies van nagelplaten. Extracutane betrokkenheid is gelijkaardig maar minder ernstig dan bij ernstige RDEB, en met deze ziekte zijn geen misvormingen van handen/voeten geassocieerd. Laesies in de mondholte en excessief tandbederf komen geregeld voor. Patiënten hebben een lager risico op oesofageale vernauwingen en beschadiging van hoornvlies dan bij ernstige RDEB. Groeiachterstand en anemie zijn zeldzaam. Betrokkenheid van urogenitaal stelsel is zeldzaam. Het risico op ontwikkeling van plaveiselcelcarcinoom (PCC) is ook verhoogd, maar deze komen minder vaak voor dan bij ernstige RDEB en treden later op in de volwassenheid.
De ziekte wordt veroorzaakt door mutaties in het gen voor type VII collageen (COL7A1; 3p21.31) die leiden tot een wijziging van de functie van collageen VII of een verminderde hoeveelheid collageen VII. Dit verstoort assemblage van collageen VII in vezels die de basale membraan verankeren aan de onderliggende dermis. Dit leidt op zijn beurt tot verlaagde resistentie van de huid tegen kleine trauma's.
Diagnose wordt vermoed bij klinisch onderzoek, en wordt bevestigd door het in kaart brengen van antigenen met behulp van immunofluorescentie en/of transmissie-elektronenmicroscopie van huidstalen. Genetisch testen bevestigt de diagnose.
Differentiële diagnoses zijn onder meer andere vormen van EB. Tijdens de neonatale periode dienen mogelijk aplasia cutis congenita, infectie door herpes-simplexvirus, congenitale erosieve en vesiculaire dermatose, epidermolytische ichthyosis, lineaire IgA bulleuze dermatose, bulleus pemfigoïd, neonatale pemfigus en pemfigoïde gestationis, bulleuze impetigo, en scalded skin-syndroom door stafylokokken overwogen te worden.
Prenatale diagnose kan aangeraden worden aan families met dit subtype van RDEB, afhankelijk van de individuele mate van ernst.
Het overervingspatroon is autosomaal recessief. Erfelijkheidsadvies dient aangeboden te worden aan koppels die risico lopen (beide individuen zijn drager van een causale mutatie van de ziekte) om hen te informeren over het risico van 25% op het krijgen van een getroffen kind bij elke zwangerschap.
Het ziektebeheer is preventief: preventief afdekken van huid vermindert blaarvorming, en zorgvuldige wondverzorging voorkomt secundaire infecties en vermindert littekenvorming. Mondhygiëne is belangrijk voor verzorging van cariës. Voedingsbehoeften dienen geëvalueerd te worden door een diëtist. Oesofageale vernauwingen worden behandeld door verwijding met behulp van een fluoroscopie-geleide ballon. Regelmatige opvolging is nodig om toezicht te houden op de ontwikkeling van PCC. PCC wordt chirurgisch behandeld met excisie van huid van volle dikte en met wijde randen.
In de meeste gevallen is de levensverwachting normaal. Er is echter een verhoogd risico op de ontwikkeling van metastatische plaveiselcelcarcinomen met een cumulatief mortaliteitsrisico van 21,5% tegen de leeftijd van 55 jaar.
Laatste update: mei 2021 - Deskundige recensent(en): Pr. Carmen SALAVASTRU | ERN-Skin*
Français,
Español,
Deutsch,
Italiano,
Português
Polski,
Ελληνικά
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Het brede publiek
Richtlijnen
Overzichtsartikelen over ziekten
Beperking
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
- Onderzoeksprojecten (52)
- Klinische studies (12)
- Biobanken (8)
- Registers (26)
- Netwerk van experten (4)
Neonatale screening