Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Recessieve dystrofische epidermolysis bullosa inversa
Een zeldzaam subtype van dystrofische epidermolysis bullosa (DEB), gekenmerkt door blaren en erosies die vanaf de adolescentie of vroege volwassenheid hoofdzakelijk beperkt blijven tot huid aan buigzijden.
ORPHA:79409
Tot op heden werden minder dan 100 gevallen van recessieve dystrofische epidermolysis bullosa inversa (RDEB-I) gerapporteerd, maar waarschijnlijk wordt de aandoening ondergerapporteerd.
De ziekte manifesteert zich bij of kort na de geboorte met gegeneraliseerde blaarvorming en oppervlakkige erosies van intermediaire ernst die helen met vorming van atrofische littekens en milia. Vanaf de adolescentie tot de vroege volwassenheid is blaarvorming eerder gesitueerd in huidplooien, vooral oksels, liesstreek, perianale regio, en bilnaad. Vrouwen vertonen mogelijk opmerkelijke blaarvorming aan vulvovaginale en inframammaire huid. Overige plaatsen die bij voorkeur aangetast worden, zijn onder meer nekbasis, bovenste deel van de rug, en lumbosacraal gebied. Nageldystrofie is kenmerkend, maar de ernst ervan varieert. Mucosale laesies met blaarvorming en littekenvorming in de mond zijn kenmerkend en kunnen leiden tot microglossie (verlies van tongpapillen en vergroeiing van tong met mondbodem) en ankyloglossie (obliteratie van vestibulum oris (voorhof van mond) en progressieve vernauwing van mondopening). Oesofageale betrokkenheid is vaak ernstig en geassocieerd met een risico op oesofageale vernauwing die de opname van voedingsstoffen kan verstoren. Laesies in het onderste deel van het urogenitale stelsel komen ook veel voor en kunnen leiden tot ontwikkeling van vaginale vernauwingen die het normale seksuele functioneren kunnen verstoren. Overige, minder gangbare extracutane kenmerken zijn onder meer stenose of volledige occlusie van uitwendige gehoorgang met variabele gradaties van gehoorverlies, erosies van hoornvlies, en anemie. Groeiachterstand is zeldzaam. Patiënten kunnen plaveiselcelcarcinomen ontwikkelen, met een cumulatief risico tot 23% tegen de leeftijd van 50 jaar, wat veel lager is dan bij elk van de twee gegeneraliseerde subtypes van RDEB (ernstige RDEB en intermediaire RDEB).
De ziekte wordt veroorzaakt door mutaties in het gen voor type VII collageen (COL7A1; 3p21.31). Mutaties in dit gen leiden tot een wijziging van de functie van collageen VII of tot een verminderde hoeveelheid collageen VII. Dit verstoort de assemblage van collageen VII in de vezels die de basale membraan verankeren aan de onderliggende lederhuid (dermis). Dit leidt op zijn beurt tot verlaagde resistentie van de huid tegen kleine trauma's. Samengestelde heterozygositeit voor een mutatie met functieverlies in COL7A1 in combinatie met een missense mutatie is prototypisch. Specifieke substituties van glycine en arginine substituties beïnvloeden de thermostabiliteit van type VII en veroorzaken dit fenotype.
Diagnose wordt vermoed bij klinisch onderzoek, en wordt bevestigd door het in kaart brengen van antigenen met behulp van immunofluorescentie en/of transmissie-elektronenmicroscopie van huidstalen die een splijtvlak toont dat zich situeert onder de lamina densa van de basale membraan van huid. Genetisch testen bevestigt de diagnose.
Differentiële diagnoses zijn onder meer andere vormen van epidermolysis bullosa. In de neonatale periode dienen ook infectie door herpes-simplexvirus, congenitale erosieve en vesiculaire dermatose, epidermolytische ichthyosis, bulleus pemfigoïd, neonatale pemfigus en pemfigoïde gestationis, en scalded skin-syndroom door stafylokokken overwogen te worden.
Genetische prenatale diagnose kan overwogen worden wanneer causale mutaties reeds eerder werden geïdentificeerd bij een getroffen broer/zus.
Transmissie gebeurt autosomaal recessief. Erfelijkheidsadvies dient aangeboden te worden aan koppels die risico lopen (beide individuen zijn drager van een causale mutatie van de ziekte) om hen te informeren over het risico van 25% op het krijgen van een getroffen kind bij elke zwangerschap.
Behandeling is symptomatisch, en bestaat onder meer uit wondverzorging, behandeling van pijn en pruritus, suppletie van voedingsstoffen, en regelmatig onderzoek van huid en zichtbaar slijmvlies om te screenen voor huidkanker.
De prognose is doorgaans goed.
Laatste update: mei 2021 - Deskundige recensent(en): Pr. Martin LAIMER | ERN-Skin*
Français,
Español,
Deutsch,
Italiano,
Português
Polski
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Het brede publiek
Richtlijnen
Overzichtsartikelen over ziekten
Beperking
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
- Onderzoeksprojecten (51)
- Klinische studies (10)
- Biobanken (8)
- Registers (26)
- Netwerk van experten (4)
Neonatale screening