Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Immuundeficiëntie door selectieve deficiëntie van antipolysacharide-antilichaam
Een zeldzame primaire immuundeficiëntie, gekenmerkt door normale gehaltes van immunoglobulinen (inclusief IgG-subklassen) maar verstoorde respons op polysachariden.
ORPHA:70593
Classification level: Aandoening
- Specifieke deficiëntie van polysacharide-antilichaam
- Specifieke deficiëntie van antipolysacharide-antilichaam
- SPAD
- Selectieve deficiëntie van antipolysacharide-antilichaam
Prevalentie: Unknown
Erfelijkheid: Multigeen/multifactorieel
Leeftijd bij eerste symptomen: Puber, Volwassenheid, Kindertijd
De prevalentie is niet gekend, maar er werden meer dan 100 gevallen gerapporteerd in de literatuur. De frequentie gaat van 11 tot 60% in geselecteerde patiënten met onverklaarbare bacteriële infecties.
Deze aandoening kan kinderen ouder dan twee jaar of volwassenen treffen, maar de meeste van de gepubliceerde gevallen zijn volwassenen. Patiënten lijden aan recidiverende bacteriële infecties, meestal van de luchtwegen, zoals bronchopulmonale infecties (met of zonder bronchiëctasie), recidiverende bacteriële sinusitis, of chronische rinosinusitis. Sepsis en meningitis komen minder vaak voor. Betrokken bacteriën hebben een polysacharidekapsel, zoals pneumokokken, Hemophilus influenzae (serotype B), meningokokken en groep B-streptokokken. Allergische manifestaties worden waargenomen bij de helft van de patiënten.
Deze immuundeficiëntie is waarschijnlijk heterogeen met meerdere oorzaken. Een hogere prevalentie in bepaalde etnische populaties en familiale gevallen doen vermoeden dat genetische factoren een rol spelen. Er werden verschillende hypotheses over de oorzaak van de ziekte naar voren gebracht, maar de meest waarschijnlijke is een defect van B-cellen in de marginale zone van milt (MZB), die wordt ondersteund door de verstoorde respons met antilichamen tegen polysachariden die wordt waargenomen bij patiënten die splenectomie ondergingen.
Diagnose wordt gesteld door identificatie van deficiënte antilichaamrespons tegen polysacharide-antigenen (meestal niet-geconjugeerd vaccin tegen Streptococcus pneumoniae), met normale gehaltes van immunoglobulinen (inclusief IgG-subklassen) en onaangetaste productie van antilichamen tegen proteïne-antigenen (tetanustoxoïd, difterie) en geconjugeerde polysachariden. De respons op polysacharidekapsel van pneumokokken wordt getest met behulp van derde-generatie enzymgebonden immunosorbens-analyse die werd goedgekeurd door de WHO. De resultaten dienen geïnterpreteerd te worden volgens de richtlijnen die in 2012 werden uitgegeven door de Amerikaanse Academie van Allergie, Astma en Immunologie (AAAAI)-werkgroep. De respons van een enkel serotype wordt beschouwd als zijnde normaal indien de antilichaamtiter na immunisatie meer dan 1,3 microg/mL bedraagt (beschouwd als zijnde beschermend) en/of minstens met een viervoud toeneemt (relatief ten opzichte van de waarde voor immunisatie). Een tweevoudige toename wordt als aanvaardbaar beschouwd indien de initiële titer reeds boven 1,3 microg/mL lag. Een immunisatie wordt gedefinieerd als zijnde goed indien een normale respons wordt waargenomen bij minstens 50% (voor kinderen) tot 70% (voor volwassenen) van de geëvalueerde serotypes. Aangezien de meeste kinderen jonger dan twee jaar een fysiologisch defect vertonen in de immuunreactie tegen polysacharide-antigenen, kan de diagnose niet voor deze leeftijd gesteld worden. Daarenboven lijken sommige patiënten ook een ondermaatse respons te vertonen tegen geconjugeerde polysachariden. De respons tegen polysachariden kan niet geëvalueerd worden bij patiënten die werden behandeld met steroïden of immuunsuppressiva.
Zorgverleners dienen andere primaire immuundeficiënties uit te sluiten die ook gekenmerkt worden door een defecte respons op polysacharide-antigenen, meestal gewone variabele immuundeficiëntie (CVID), en IgG2- en IgG3-deficiëntie. Een defect in productie van antilichamen tegen polysachariden kan ook geassocieerd zijn met syndroom van Wiskott-Aldrich.
Antibiotica worden toegediend om infecties onder controle te krijgen, maar ook als profylactische behandeling om infecties te voorkomen wanneer deze te vaak optreden. Substitutie van immunoglobuline kan ook voordelig zijn wanneer profylactische therapie met antibiotica faalt. Vaccinaties met geconjugeerde vaccins tegen pneumokokken, meningokokken en Haemophilus serotype b zijn ook vereist.
Infecties worden doorgaans goed onder controle gehouden door behandeling. Patiënten dienen echter zorgvuldig opgevolgd te worden, aangezien deze aandoening kan evolueren tot een ernstigere immuundeficiëntie (deficiëntie van IgG-subklasse of CVID), vooral indien de diagnose werd gesteld in de kindertijd.
Laatste update: juli 2023 - Deskundige recensent(en): Dr. Guillaume LEFEVRE
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Richtlijnen
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
- Onderzoeksprojecten (45)
- Klinische studies (1)
- Biobanken (9)
- Registers (29)
- Netwerk van experten (7)
Neonatale screening