Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Ziekte van Lafora
Een zeldzame, erfelijke, ernstige vorm van progressieve myoclonusepilepsie, gekenmerkt door medicatieresistente epilepsie, myoclonus, en psychomotorische achteruitgang die voorheen gezonde kinderen of adolescenten treft.
ORPHA:501
Classification level: Aandoening
- EPM2
- PME type 2
- Progressieve myoclonische epilepsie type 2
- Progressieve myoclonusepilepsie type 2
Prevalentie: 1-9 / 1 000 000
Erfelijkheid: Autosomaal recessief
Leeftijd bij eerste symptomen: Puber, Kindertijd
Ziekte van Lafora is uiterst zeldzaam, met wereldwijd een geschatte frequentie van minder dan één geval per miljoen individuen. De prevalentie is het hoogst in Mediterrane landen, alsook in Noord-Afrika, het Midden-Oosten, en enkele regio's van Zuid-India.
De ziekte vangt doorgaans aan tijdens de late kindertijd of adolescentie, met gegeneraliseerde tonisch-clonische insulten, myoclonus, en vaak focale occipitale insulten met visuele symptomen. De aanvallen worden geleidelijk aan moeilijker om te behandelen en verergeren, wat leidt tot episodes van status epilepticus. Myoclonus is een belangrijk kenmerk en kan zich presenteren als myoclonische insulten, maar ook als myoclonus geïnduceerd door rust, actie of stimulus, die nagenoeg continu wordt in de gevorderde stadia van de ziekte. Ataxie draagt bij aan motorische invaliditeit. Cognitieve achteruitgang is altijd aanwezig, en manifesteert zich aanvankelijk met moeilijkheden op school gevolgd door progressie naar dementie.
Ziekte van Lafora wordt veroorzaakt door biallelische mutaties in het gen EPM2A of het gen NHLRC1 (ook gekend als EPM2B), die respectievelijk coderen voor de proteïnen laforine en maline, die een rol spelen in het glycogeenmetabolisme. Functieverlies van een van beide proteïnen resulteert in accumulatie van onoplosbare polyglucosanaggregaten gekend als Laforalichaampjes in verschillende organen. Neurodegeneratie en klinische manifestaties zijn hoofdzakelijk te wijten aan accumulatie van Laforalichaampjes in de hersenen.
Bij aanvang heeft het elektro-encefalogram (EEG) een normale achtergrond, met gegeneraliseerde en, vaak, focale occipitale epileptiforme ontladingen die kunnen geactiveerd worden door stimulatie met licht. Mettertijd vertraagt de EEG-achtergrond, en stijgt de prevalentie van epileptiforme afwijkingen, die overvloedig of subcontinu worden. MRI van hersenen is vaak onopvallend of toont variabele gradaties van cerebrale en cerebellaire atrofie. FDG-PET van hersenen kan grote gebieden met verlaagd glucosemetabolisme aantonen, die mogelijk correleren met progressie van de ziekte. Gericht genetisch testen van EPM2A en NHLRC1 is momenteel de referentiestandaard om de diagnose bij vermoedelijke gevallen te bevestigen. Biopsie van huid of andere weefsels toont mogelijk Laforalichaampjes, maar levert veel vals positieve en vals negatieve resultaten.
Bij aanvang kan ziekte van Lafora lijken op juveniele myoclonusepilepsie, dat geen progressief verloop heeft. In later stadia van de ziekte wordt het klinische beeld vrij typerend, wat de diagnose vereenvoudigt. Atypische gevallen met trage progressie kunnen verward worden met ziekte van Unverricht-Lundborg.
Prenataal testen is mogelijk voor families waarbij de diagnose werd bevestigd door moleculair testen.
Erfelijkheidsadvies is aanbevolen om ouders te informeren over het autosomaal recessieve overervingspatroon; indien beide ouders drager zijn, is er een kans van 25% bij elke zwangerschap dat hun kind de aandoening zal ontwikkelen, een kans van 50% dat hun kind een drager zal zijn, en een kans van 25% dat hun kind geen drager zal zijn of de aandoening zal hebben.
Momenteel bestaat er geen remedie voor ziekte van Lafora; anti-epileptica worden gebruikt om zowel de insulten als de myoclonus te behandelen. Psychologische en sociale ondersteuning zijn ook essentieel voor patiënten en hun families. Metformine lijkt de progressie van de ziekte af te remmen. Er worden verschillende etiologische therapieën ontwikkeld die mogelijk het verloop van ziekte van Lafora kunnen wijzigen, waaronder gentherapie of therapie met antisense oligonucleotiden, en antilichaam-enzym verbindingen die Laforalichaampjes kunnen afbreken.
Verlies van autonomie treedt meestal op in de late adolescentie en overlijden tijdens de jonge volwassenheid; de helft van de patiënten verliest autonomie binnen 6 jaar en sterft binnen 11 jaar na aanvang van de ziekte. Overlijden is doorgaans het gevolg van status epilepticus of aspiratiepneumonie en andere complicaties van chronische neurodegeneratie. Bepaalde genetische varianten kunnen de prognose beïnvloeden en leiden tot een vorm van de ziekte met snellere of tragere progressie.
Laatste update: oktober 2024 - Deskundige recensent(en): Pr. Francesca BISULLI | EpiCARE* - Dr. Ieva MICULE | EpiCARE* - Dr. Lorenzo MUCCIOLI | EpiCARE* - Dr. José SERRATOSA FERNÁNDEZ | EpiCARE*
Français,
Español,
Deutsch,
Italiano
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Het brede publiek
Richtlijnen
Overzichtsartikelen over ziekten
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
Neonatale screening