Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Fibreuze dysplasie van bot
Een zeldzame, goedaardige, primaire botdysplasie gekarakteriseerd door progressieve vervanging van normaal bot en beenmerg met fibreus bindweefsel in één (monostotisch) of meerdere (polyostotisch) botten. Klinische manifestaties zijn afhankelijk van de anatomische locatie van de vervanging en omvatten mogelijk botpijn, misvormingen, pathologische fracturen, en deficiëntie van hersenzenuwen.
ORPHA:249
De prevalentie is niet gekend en is moeilijk te schatten vanwege de frequent asymptomatische laesies.
FD kan afzonderlijk of simultaan het craniofaciale, axiale en/of appendiculaire skelet treffen, en gaat van geïsoleerde asymptomatisch monostotische letsels tot ernstig invaliderende polyostotische letsels die leiden tot pijn, fractuur, misvorming of verlies van gezichtsvermogen en gehoor. De monostotische vorm vertegenwoordigt ongeveer 70% van de gevallen, kan zich voordoen met pijn of een pathologische fractuur, en wordt doorgaans gediagnosticeerd op een leeftijd tussen 10 en 30 jaar. De polyostotische vorm vertegenwoordigt 20-30% van de gevallen en de meerderheid van deze patiënten wordt symptomatisch voor de leeftijd van 10 jaar. De meest gangbare plaatsen die aangetast worden zijn dijbeen, scheenbeen, schedel en gezichtsbeenderen, bekken, ribben, opperarmbeen, spaakbeen en ellepijp, lumbale wervelkolom, sleutelbeen, en cervicale wervelkolom. Letsels kunnen unilateraal of, minder gangbaar, bilateraal zijn. Initiële symptomen zijn meestal pijn in de betrokken ledematen, geassocieerd met mank lopen wanneer een onderste ledemaat betrokken is, en spontane fractuur. Verzwakte structurele integriteit leidt vaak tot significante buiging en wanverhouding van de lengte van de benen bij patiënten met betrokkenheid van de ledematen. Betrokkenheid van het sfenoïdale bot (wiggenbeen) is variabel geassocieerd met deficiëntie van hersenzenuwen, in wezen functieverlies van het zicht (dat minder dan 10% van de individuen met compressie van de oogzenuw treft). Vele patiënten met polyostotische vormen vertonen ook renaal fosfaatverlies, wat het verhoogd risico op fractuur verklaart. Aan het extreme uiteinde van het spectrum vertoont een klein aantal patiënten ook endocriene manifestaties, met als meest voorkomende perifere vroegtijdige puberteit. Hyperthyreoïdie en hypersecretie van groeihormoon worden ook vrij frequent waargenomen, terwijl syndroom van Cushing uitzonderlijk is. Deze patiënten hebben ook café-au-lait vlekken op de huid. Deze endocriene of cutane kenmerken vertegenwoordigen het syndroom van McCune-Albright. Bij patiënten met uitgebreide vormen werden intraductale papillaire mucineuze neoplasma's in de pancreas beschreven.
Activerende somatische mutaties in het gen GNAS (20q13.32), dat codeert voor de alfa-subeenheid van de Gs-proteïnereceptor (Gsalfa) in doelcellen, zijn verantwoordelijk voor de veranderingen van botcellen, alsook voor de betrokkenheid van andere cellen/weefsels die hetzelfde moleculaire defect hebben (melanocyten, endocriene cellen).
Beeldvorming en, indien nodig, histologie vormen de hoekstenen voor de diagnostiek. Het pathognomonisch radiologisch beeld omvat radiolucentie en een ''matglas''-uiterlijk (zonder zichtbaar trabeculair patroon in de aangetaste gebieden), variabele aanwezigheid van endostale scalloping (afbakenen in boogjes) van de binnenste cortex (maar met een glad, niet-reactief periostaal oppervlak), kromming van de femurhalzen en proximale schacht (wat vaak coxa vara van de knie veroorzaakt), en herdersstaf-misvorming.
Differentiële diagnoses zijn onder meer osteofibreuze dysplasie, osteochondroom, exostose, osteosarcoom, chondrosarcoom, osteofibroom, meningeoom in het schedelbot, en osteoom.
Mutaties treffen enkel somatische cellen en zijn dus niet erfelijk, en bijgevolg kan erfelijkheidsadvies zekerheid bieden maar is het niet strikt noodzakelijk.
De conventionele therapeutische benadering is voornamelijk symptomatisch (analgetica) en orthopedisch (preventie en behandeling van complicaties aan de botten). Behandeling gebeurt doorgaans met intraveneus pamidronaat, dat bij de meeste patiënten snel de botpijn verlicht en bij ongeveer de helft van de patiënten progressief de botmineralisatie verhoogt in osteolytische gebieden. Placebogecontroleerde gerandomiseerde studies hebben aangetoond dat orale bisfosfonaten daarentegen niet doeltreffender zijn dan placebo in het verminderen van botpijn. Tubulair fosfaatverlies is gangbaar en dient behandeld te worden met suppletie van fosfaat en calcitriol.
De prognose is doorgaans goed voor patiënten met de monostotische vorm. Polyostotische patiënten dienen nauwer opgevolgd te worden, maar aangezien de ziekte neigt te stabiliseren na de adolescentie zijn de uitkomsten vaak goed bij volwassenen.
Laatste update: augustus 2019 - Deskundige recensent(en): Pr. Roland CHAPURLAT
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Het brede publiek
Richtlijnen
Overzichtsartikelen over ziekten
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
Neonatale screening