Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Systemische mastocytose
Een heterogene groep zeldzame, verworven en chronische hematologische maligniteiten gerelateerd aan abnormale accumulatie/proliferatie van neoplastische mestcellen (MC's) in een of meerdere organen, vooral beenmerg (BM), en frequent geassocieerd met betrokkenheid van huid.
ORPHA:2467
De prevalentie in Europa wordt geschat tussen 1/7.700 en 1/10.400. Systemische mastocytose (SM) treft voornamelijk het Kaukasische ras en er is geen predominantie in een bepaald geslacht.
SM wordt voornamelijk waargenomen bij volwassenen (gemiddelde leeftijd bij de diagnose bedraagt 60 jaar) en is zeer zeldzaam in de pediatrische populatie. SM kan onderverdeeld worden in vijf varianten: indolente SM (ISM), smeulende systemische mastocytose (SSM), agressieve SM (ASM), SM met een geassocieerd hematologisch neoplasma (SM-AHN), en mestcelleukemie (MCL), waarvan de laatste drie varianten collectief worden aangeduid met gevorderde SM (advSM). Bij ISM zijn er geen tekenen van hoge belasting van mestcellen (B-bevindingen) en geen orgaandisfunctie (C-bevindingen). SSM is een traag progressieve SM met B-bevindingen. AdvSM-varianten worden daarentegen gekenmerkt door (meerdere) C-bevindingen.
De meeste patiënten met SM vertonen activerende mutaties in KIT, de receptor van de stamcelfactor, in hun neoplastische MC's. Van belang is dat een recurrente KIT-mutatie (D816V; exon 17 van het gen KIT), gesitueerd in het fosfotransferasedomein van de receptor, kan gedetecteerd worden bij de meeste patiënten (> 80% van alle SM-patiënten), inclusief diegenen met advSM. Andere, minder vaak voorkomende mutaties treffen exonen 2, 8, en 9 die coderen voor het extracellulaire domein of exonen 13 en 14 die coderen voor het kinasedomein 1 van KIT. Hoe dan ook, mutaties in KIT in de context van SM leiden tot ongecontroleerde activatie van de receptor, waardoor de migratie, overleving en activatie van MC's onafhankelijk wordt van stamcelfactor.
Consensuscriteria voor de diagnose van systemische mastocytose opgesteld door de WHO omvatten één hoofdcriterium, zijnde de aanwezigheid van aggregaten van minstens 15 MC's geïdentificeerd in beenmerg of andere extracutane orgaanbiopten (meestal aangetoond na kleuring van tryptase in biopten), en vier nevencriteria: de aanwezigheid van meer dan 25% van MC's met atypische morfologie in uitstrijkjes van beenmerg (spoelvormige, gedegranuleerde en/of multinucleaire MC's); aberrant immuunfenotype van MC's die vaak verkeerdelijk niet-mestcel merkers (CD25 en/of CD2) tot expressie brengen; aanwezigheid van een puntmutatie in codon 816 van het gen KIT in beenmerg, perifeer bloed of andere extracutane organen; en verhoogd tryptasegehalte (meer dan 20 ng/ml) in het serum. Voor diagnose van SM moet minstens voldaan worden aan één hoofdcriterium en één nevencriterium of aan minstens drie nevencriteria. Vervolgens wordt de ziekte gecategoriseerd, zoals eerder beschreven, volgens de aanwezigheid van B-bevindingen en C-bevindingen.
Differentiële diagnose van SM omvat alle andere oorzaken van mestcelactivatiesyndromen (MCAS): primair (klonaal, maar voldoet niet aan de diagnostische criteria voor SM) MCAS; secundair MCAS waarbij een IgE-afhankelijke allergie (meeste gevallen) of een ander reactief inflammatoir ziekteproces aanwezig is (en beschouwd wordt als de causale etiologie); en idiopathisch MCAS waarbij noch klonale MC noch een IgE-afhankelijke allergie of een andere onderliggende conditie/ziekte kan gedocumenteerd worden. Differentiële diagnose omvat ook andere vormen van mastocytose (cutane mastocytose, mestcelsarcoom), endocriene stoornissen (adrenale tumoren, VIPoom, syndroom van Zollinger-Ellison), enkele gastro-intestinale pathologieën, allergieën, andere myeloproliferatieve ziekten die het beenmerg aantasten, histiocytose, hypereosinofiel syndroom en macroglobulinemie van Waldenström.
Hoewel tot op heden enkele familiale gevallen werden gerapporteerd, is SM meestal een sporadische ziekte waarvoor geen erfelijkheidsadvies beschikbaar is.
Het ziektebeheer hangt af van het type SM. Behandeling van ISM en stabiele SSM is doorgaans symptomatisch (antihistaminica, corticosteroïden of dinatriumcromoglicaat). In geval van gevorderde SM is de behandeling symptomatisch (antihistaminica anti-H1 en H2) en antiproliferatief met niet-gerichte (e.g interferon-alfa) of gerichte cytoreductieve therapie met remmers van het tyrosinekinase KIT. Hydroxyurea (HU) wordt toegediend aan patiënten met SM-AHN. Allogene stamceltransplantatie (allo-SCT) wordt zelden toegepast en enkel bij fitte patiënten met zeer agressieve, levensbedreigende advSM en met een geschikte donor.
De prognose hangt af van het type SM.
Laatste update: juli 2019 - Deskundige recensent(en): Pr. Michel AROCK
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Richtlijnen
Overzichtsartikelen over ziekten
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
- Onderzoeksprojecten (47)
- Klinische studies (11)
- Biobanken (10)
- Registers (53)
- Netwerk van experten (12)
Neonatale screening