Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Carnitinepalmitoyltransferase 1A-deficiëntie
Carnitinepalmitoyltransferase 1A (CPT-1A)-deficiëntie is een aangeboren metabole afwijking die mitochondriale oxidatie van langeketenvetzuren (LCFA) in de lever en nieren beïnvloedt, en die gekenmerkt wordt door terugkerende aanvallen van geïnduceerde hypoketotische hypoglycemie tijdens periodes van vasten en het risico op leverfalen.
ORPHA:156
Classification level: Aandoening
- Carnitinepalmitoyltransferase IA-deficiëntie
- Hepatische carnitinepalmitoyltransferase 1-deficiëntie
- Hepatische carnitinepalmitoyltransferase I-deficiëntie
- L-CPT1-deficiëntie
- L-CPTI-deficiëntie
- CPT1A-deficiëntie
Prevalentie: <1 / 1 000 000
Erfelijkheid: Autosomaal recessief
Leeftijd bij eerste symptomen: Kindsheid, Neonataal
Sedert de beschrijving van de ziekte in 1981 zijn minder dan 50 gevallen gerapporteerd.
CPT-1A-deficiëntie manifesteert zich tussen de geboorte en 18 maanden, met terugkerende aanvallen van hypoketotische hypoglycemie van wisselende ernst, veroorzaakt door vasten of bijkomende ziekten, die kunnen leiden tot ernstige neurologische sequelae. Bij patiënten met CPT-1A-deficiëntie kunnen ook hepatische encefalopathie met verlies van bewustzijn, toevallen, coma of zelfs plotselinge dood voorkomen. Er kan een risico op progressie tot leverfalen zijn. Patiënten met ernstige CPT-1A-deficiëntie kunnen ook renale tubulaire acidose vertonen.
CPT-1A-deficiëntie is een gevolg van mutaties in het CPT1A-gen, dat codeert voor de lever-isovorm van het CPT1-enzym, dat gelokaliseerd in het externe mitochondriaal membraan en tot doel heeft LCFA's te koppelen aan carnitine. Dit maakt de transfer van LCFA's van het cytosol naar de mitochondriën mogelijk, waar ze worden geoxideerd. CPT1-enzym heeft drie isovormen met weefselspecifieke expressie en wordt gecodeerd door verschillende genen: de 'L' isovorm, tot expressie gebracht in de lever en nieren door het CPT1A-gen (11q13), de 'M' isovorm, gesynthetiseerd in de skelet- en hartspier door het CPT1B-gen (22qter) en de hersen-isovorm door het CPT1C-gen (19q13). Er zijn geen klinische gevallen van deficiëntie van de spier- of hersen-isovorm beschreven. Een genetische variant van CPT1A (die resulteert in een verandering van het P479L-eiwit) die veel voorkomt bij mensen van Inuit-oorsprong uit Alaska en Groenland en sommige inheemse Canadezen is beschreven. Het belang van deze variant is nog niet vastgesteld en het risico op een ernstige ziekteassociatie als gevolg van de variatie is onzeker. Een enkel geval van een volwassene die homozygoot was voor de P479L-variant vertoonde spiersymptomen (spierkrampen), maar een associatie met de variant lijkt twijfelachtig.
Tijdens een metabole crisis wijst bloedonderzoek hypoglycemie uit, verhoogde niveaus van plasmacarnitine en levertransaminasen, en milde hyperammoniëmie. Urinetesten kunnen ongewoon lage niveaus van ketonen aantonen en middellangeketendicarbonzuuracidurie. Wanneer er geen crisis is, kan het totale vrije carnitinegehalte nog steeds verhoogd zijn, terwijl alle andere metabole testen normaal zijn. Moleculaire tests en bewijs van enzymdeficiëntie door een CPT-1A-assay (reductie tot 5-20% van de normale CPT-activiteit) in de lever, lymfocyten of gecultiveerde fibroblasten bevestigen de diagnose.
De differentiële diagnose omvat vetzuur- en ketogenesestoornissen zoals middellangeketenacyl-CoA dehydrogenase (MCAD-deficiëntie, zie deze term), andere langeketenvetzuuroxidatiestoornissen zoals carnitinepalmitoyltransferase (CPT) 2-deficiëntie en Reyesyndroom (zie deze termen ).
Een prenatale diagnose is mogelijk door mutatieanalyse, als de mutaties bij de proband zijn geïdentificeerd.
De overdracht is autosomaal recessief. Erfelijkheidsadvies moet worden voorgesteld aan de ouders van een getroffen individu om hen te informeren over de 25% kans die hun nakomelingen hebben om de ziekteveroorzakende mutaties te erven.
De behandeling bestaat voornamelijk uit het vermijden van vasten. Aanvullende maatregelen kunnen worden genomen, zoals 's nachts voeden met ongekookt maïszetmeel tijdens de kindertijd en/of een vetarm dieet aangevuld met middellangeketentriglyceriden die kunnen worden gemetaboliseerd door mitochondriën, onafhankelijk van de carnitinecyclus. Regelmatige controle van leverenzymen en -functie is nodig.
Met een behandeling is de prognose goed en neurologische schade als gevolg van terugkerende hypoglycemie kan worden voorkomen.
Laatste update: maart 2011
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Het brede publiek
Richtlijnen
Overzichtsartikelen over ziekten
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
- Onderzoeksprojecten (44)
- Klinische studies (1)
- Biobanken (9)
- Registers (25)
- Netwerk van experten (8)
Neonatale screening