Kennis over zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen
COVID-19 & Zeldzame Ziekten
Hulpbronnen voor Zeldzame Ziekten voor Vluchtelingen/Ontheemden
Zoek een zeldzame ziekte
Syndroom van Brugada
Een aandoening van hart, gekarakteriseerd door elevatie van ST-segment op elektrocardiogram (ECG) met een concaaf aspect in de rechts-precordiale afleidingen, en klinische susceptibiliteit voor ventriculaire tachyaritmie en plotselinge dood in afwezigheid van opvallende myocardiale anomalieën.
ORPHA:130
Classification level: Aandoening
- Ventrikelfibrillatie, Brugada-type
- Ventrikelfibrilleren, Brugada-type
- Kamerfibrillatie, Brugada-type
Prevalentie: 1-5 / 10 000
Erfelijkheid: Autosomaal dominant, Niet toepasbaar
Leeftijd bij eerste symptomen: Volwassenheid, Kindertijd
Aangezien het diagnostische ECG-patroon voor syndroom van Brugada fluctueert, in tegenstelling tot andere erfelijke syndromen van aritmie, zijn gegevens over de prevalentie van de ziekte controversieel. Volgens een recente meta-analyse wordt de wereldwijde prevalentie van syndroom van Brugada geschat op 1/2.000, maar dit varieert naargelang regio en etniciteit. Syndroom van Brugada is zeldzaam in Hispanische en Kaukasische populaties, maar niet in Aziatische populaties. Prevalentie in Noord-Amerika wordt geschat op 1/20.000, en in Europa op 1/10.000. De prevalentie ligt hoger in Azië en het Midden-Oosten, waar schattingen gaan van 1/270 tot 1/625. De ziekte wordt vaker waargenomen bij mannen dan bij vrouwen (8:1) en is uiterst zeldzaam bij kinderen.
Symptomen manifesteren zich doorgaans in het derde tot vierde levensdecennium. Syncope, die doorgaans optreedt in rust, is een gangbare manifestatie. In sommige gevallen eindigt tachycardie niet spontaan en leidt het tot acute dood. Meestal treedt de ziekte op in een normaal hart, maar bij een deel van de patiënten werden subtiele structurele afwijkingen van rechterventrikel beschreven. Mogelijke factoren die aanvang van aritmie kunnen uitlokken, zijn onder meer koorts, overvloedig eten, en enkele geneesmiddelen (waaronder antiaritmica en antidepressiva). Op ECG kunnen drie verschillende patronen waargenomen worden. Type 1, het enige diagnostische patroon, wordt gedefinieerd als concaaf type elevatie van ST-segment (0,2 mV) gevolgd door een negatieve T-golf. Bij type 2 is de elevatie van ST-segment zadelvormig, met hoge initiële toename (0,2 mV), een kleine (0,1 mV) ST-elevatie, en dan een positieve of bifasische T-golf. Type 3 heeft ofwel een zadelvormige ofwel een concaaf type elevatie van ST-segment (maximum 0,1 mV). Het dient benadrukt te worden dat enkel type 1 ECG diagnostisch is voor het syndroom.
Het gen SCN5A (3p22.2) is verantwoordelijk voor 30% van de gevallen waarbij een genvariant is betrokken. Overige genen die werden geïdentificeerd, zijn onder meer CACNA1C (12p13.33), SCNN1A (12p13), SLMAP (3p14.3), SEMA3A (7q21.11), en SCN2B (11q23.3). Bij nagenoeg 70% van de getroffen families is de genetische oorzaak echter niet gekend.
Diagnose is gebaseerd op klinisch onderzoek en detectie van type 1 ECG-patroon met een Holter-ECG-apparaat met 12 afleidingen. In sommige gevallen zijn de ECG-manifestaties niet vanzelfsprekend of niet diagnostisch (type 2, 3 en S ECG-patronen). In dergelijke gevallen kan een provocatietest met toediening van klasse IC antiaritmica (ajmaline, flecaïnide of procaïnamide) gebruikt worden om de diagnose te bevestigen of uit te sluiten. Genetisch testen is beschikbaar nadat een klinische diagnose werd gesteld.
Aandoeningen die het typische ECG-patroon van syndroom van Brugada kunnen vertonen, zijn onder meer geïsoleerd rechterbundeltakblok, pectus excavatum, aritmogene cardiomyopathie van rechterventrikel, acute pericarditis, acute myocardiale ischemie of infarct, en vroege repolarisatie.
Er werden zowel sporadische als familiale gevallen gerapporteerd, en analyse van stambomen wijst op een autosomaal dominant overervingspatroon.
Implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) is de enige therapeutische optie met aangetoonde doeltreffendheid voor primaire en secundaire profylactische behandeling van hartstilstand. Correcte risicostratificatie is dus een belangrijk doel voor ziektebeheer. Kinidine kan beschouwd worden als een adjuvante therapie voor patiënten die meer risico lopen, en kan het aantal gevallen van ICD-shock bij patiënten met risico op herhaling verminderen. Sinds kort geldt epicardiale ablatie van uitstroombaan van rechterventrikel als therapeutische optie voor patiënten met een hoger risico.
De meerderheid van de patiënten blijft asymptomatisch, 20-30% ervaart syncope, en 8-12% ervaart minstens één hartstilstand (die mogelijk leidt tot plotselinge dood). Risicofactoren voor hartstilstand en acute dood zijn een spontaan diagnostisch ECG-patroon en een voorgeschiedenis met syncope.
Laatste update: juli 2020 - Deskundige recensent(en): Dr. Andrea MAZZANTI - Pr. Silvia PRIORI
: opgesteld/goedgekeurd door ERN(s)
: opgesteld/goedgekeurd door FSMR(s)
Richtlijnen
Overzichtsartikelen over ziekten
Genetische testen
Meer informatie over deze ziekte
Patiëntgerichte faciliteiten voor deze ziekte
Onderzoeksactiviteiten naar deze ziekte
Neonatale screening